Prominent op een schildersezel staat een foto uit een tijdschrift, van een man met zijn gehandicapte zoon, de twee gezichten dicht tegen elkaar aan. “Ik werd getroffen door de tederheid en droefenis ervan,” vertelt ze in haar kunstenaarsatelier, omringd door schetsen en abstracte sculpturen van organische vormen. “Ik loop vaak met ideeën rond over bijvoorbeeld intimiteit, verbondenheid, en zoek dan zulke knipsels, van handen en gezichten. Ik zoek naar de verbondenheid tussen mensen, waarin ruimte een belangrijke rol speelt. En geef dat maar eens vorm.” Dat doet ze in dit geval door de ruimte tussen de mannenhoofden te benadrukken in allerlei tekeningen, die verspreid liggen over de grond.

Toen ze ruim een kwart eeuw geleden een verlies te verwerken kreeg, werd ze kunstenaar. Ze begon beelden te maken. “Ik merkte dat ik in die klei iets wezenlijks van mezelf tegenkwam. Iets waardoor ik het leven weer kon oppakken, iets wat groeit.” Over de vraag hoe haar vormen ontstaan, denkt ze lang na. “Je begint te onderzoeken met je handen, daarvoor heb ik oefeningen, waardoor je dicht bij een vormentaal komt. Ineens weet je het, heb je het. Dat eerste deel is het leukst, daarna komt het zoeken, dingen opofferen.”

Op veel vragen denkt ze lang na, haar creatieve processen laten zich moeilijk in woorden vertalen. Maar, het lukt wel om het uit te drukken met de symbolen die ook in haar installaties terugkeren: “Zwaarte wordt steen, eeuwigheid wordt brons of steen, kwetsbaarheid veren of glas-in-lood, woede prikkeldraad. Kwetsbaarheid en kracht komen altijd samen in mijn werk. De keuze voor materialen zoals ontstaat door het zoeken. Zo maak ik vergeestelijke ruimtes, waarin je van het donker in het licht komt.”

Vroeger was ze psychiatrisch verpleegkundige, daarna werkte ze in de Thuiszorg en voedde ze haar kinderen op. Over de oorsprong van haar creativiteit zegt ze dat ze vrije school heeft gedaan en altijd bezig was met fotograferen, boetseren tekenen. Maar de kinderen gingen voor. Toen ze kunstenaar werd, werkte daarin haar ervaring in de zorg door: “Ik verplaats me altijd in de ander. Ik doe hetzelfde als dat ik als verpleegkundige deed, maar dan op een andere manier.”

Eén van haar ruimtelijke maquettes toont een ontwerp voor buitenkunst, golvende bankjes in de vorm van nautilusschelpen, geïnspireerd door de wetmatigheden van de natuur: “Een nautilusschelp groeit en groeit, maar altijd in verhouding en dat ontroert me.” Die maquette staat niet in haar atelier maar bij haar thuis, waar ze op de bovenverdieping ook een werkplek heeft ingericht. Beneden in haar huiskamer liggen enorme stapels boeken over flora en kunstgeschiedenis. “Ik heb ook die chaos in me,” zegt ze over al die boeken. “En die rust. Ik heb ze allebei nodig om te werken, chaos en rust. Chaos dient om iets in werking te zetten, anders kom je niet ver. Boetseren is niet te doen als je te georganiseerd bent.”